De Belg gaat op 62 jaar op pensioen

De gemiddelde werkelijke pensioenleeftijd bedroeg vorig jaar 62 jaar. Dat blijkt uit cijfers van hr-dienstverler Acerta. In 2010 lag de gemiddelde reële pensioenleeftijd nog op 60,4 jaar.

We werken steeds langer, zo blijkt uit cijfers van Acerta. De gemiddelde reële pensioenleeftijd van werknemers in de private sector met een contract van onbepaalde duur bedroeg vorig jaar 61,9 jaar. Dat is een stijging met 2,5 procent sinds 2010, toen die leeftijd op 60,4 lag. De wettelijke pensioenleeftijd in ons land bedraagt 65 jaar, maar mensen gaan met vervroegd pensioen, gaan op brugpensioen of begonnen al op vroege leeftijd te werken en kunnen na voldoende loopbaanjaren de arbeidsmarkt verlaten.

Brugpensioen
Wie in 2018 op brugpensioen ging (SWT) deed dat gemiddeld op 61 jaar. In 2010 gebeurde dat gemiddeld nog op 58,2 jaar. De toegang tot SWT is de voorbije jaren behoorlijk verstrengd. "Maar er is ook een mentaliteitswijziging opgetreden", aldus Dirk Wijns van Acerta. "En werkgevers gaan er minder makkelijk in mee, zeker gezien de krapte op de arbeidsmarkt". De gemiddelde leeftijd voor vervroegd pensioen bedroeg in 2018 61,5 jaar (60,5 in 2010) en wie met (gewoon) pensioen ging, deed dat gemiddeld aan 63,3 jaar (62,4 in 2010).

Alles samen geeft dat dus een gemiddelde reële pensioenleeftijd van 61,9 jaar. Nog uit de cijfers van Acerta blijkt dat de arbeidsmarkt vorig jaar maar 0,2 procent van de werknemers met een contract van onbepaalde duur verloor omdat ze met pensioen gingen. Een erg laag cijfer (0,05 procent van de werknemers met een contract van onbepaalde duur) ging op SWT of brugpensioen. In 2010 was dat nog 0,14 procent. "SWT als reden voor vertrek heeft vandaag nog slechts een zeer beperkte impact", aldus Wijns.

"De discussie hierover, in het kader van de onderhandelingen over een interprofessioneel akkoord, is dan ook eerder als ideologisch te bestempelen, dan dat ze een belangrijke impact heeft op de beschikbaarheid van oudere werknemers voor de arbeidsmarkt".